Het jaar van de koekoek

Eind november was ik op de SOVON-dag (Stichting Ornithologisch VeldOnderzoek Nederland), een jaarlijkse pelgrimage voor onze vaderlandse vogelaars. In maar liefst 5 zalen worden parallel lezingen gehouden over vogels en natuurbeheer. Staande tussen de drommen mensen bij de entree verbaas ik me over de massaliteit van het vogelvolk. 

Het aantal bezoekers nadert ieder jaar de 2000 en mij bekruipt een gevoel van ‘more chiefs than indians’: zijn er wel genoeg vogels te zien voor al die kijkers?

Stel dat iedere vogelaar jaarlijks bewust 1000 vogels spot in ons land, dan moeten er toch minstens 2 miljoen zijn, gesteld dat iedereen zijn ‘eigen’ 1000 exemplaren ziet. Het blijkt dat ik me zorgen maak om niets: in de top 50 van meest voorkomende broedvogels lees ik dat alleen de merel al richting de 2 miljoen gaat. Het totaal aantal vogels in ons land kan op enig moment makkelijk boven de 20 miljoen liggen.          

Dat niet alleen mensen op zoek gaan naar vogels maar ook vogels zelf, werd op schitterende wijze geïllustreerd door de hoofdlezing van de Engelse hoogleraar Nick Davies over de koekoek. Deze vogel is een meesterspeurder naar kleine zangvogels en dan niet om ze op te eten, maar om hun nest te parasiteren. Je vraagt je af wat erger is. Achter de heldere roep van de koekoek in het voorjaar gaat een niet te bevatten wereld aan vogelleed schuil (menselijk gesproken natuurlijk). Davies bestudeert al meer dan 30 jaar deze enige broedparasiet van West-Europa. Aristoteles wist al dat koekoeken op slinkse wijze hun eitjes in de nesten van kleine zangvogels leggen. Meestal merken de nesteigenaren het bedrog niet en broeden gezellig door.

Het eerste wat het koekoeksjong doet als het naakt en kaal maar verre van hulpeloos uit het ei komt, is de andere eieren over de rand van het nestkommetje kieperen. Ook eventueel al uit het ei gekomen pleegbroertjes en –zusjes gaan over de rand. Davies ontdekte dat dit vuile werk opgeknapt moet worden door de jonge koekoek. Als de vrouwtjeskoekoek bij het eileggen niet slechts één (als lekker hapje) maar alle in het nest aanwezige eitjes zou weghalen, dan valt dat de pleegouders wel op en verlaten ze het nest. Einde verhaal.

Gefascineerd door de evolutionaire wapenwedloop tussen de koekoek als broedparasiet en de ogenschijnlijk nietsvermoedende gastouders, kwam Davies steeds weer op nieuwe vragen. Waar men in de 17e eeuw nog dacht dat de luidroepende karekietjes hun blijdschap uitten omdat zo’n grote vogel hun needrig nestje de eer aandeed er een eitje in te deponeren, ontdekte Davies dat de karekieten luidt alarmerend de koekoek wegjaagden en het ei vervolgens ook direct verwijderden. Het bedrog slaagt alleen als de eileg door het koekoekvrouwtje ongezien plaatsvindt als de broedende vogel even van de eieren af is. Een kunstje wat het koekoeksvrouwtje in tien seconden flikt.  Davies ontdekte verder dat een vrouwtjeskoekoek nauwgezet alle beginnende legsels in een terrein in de gaten houdt om vervolgens na verloop van tijd in elk nest een eitje erbij te leggen, tot wel acht keer toe. Een perfecte boekhoudster dus.

Het koekoeksei valt niet op: het is nauwelijks groter dan de eitjes van de gastheer terwijl de koekoek zelf toch zeker meer dan 6x zo groot is als zijn gastheren. Bovendien is het ei fantastisch gecamoufleerd. Het matched in tekening en kleur perfect bij dat van de gastoudersoort, wat alleen mogelijk is omdat ieder koekoekvrouwtje gespecialiseerd is op één soort zangvogel: een kleine karekiet, graspieper, tuinfluiter of kwikstaart. De vrouwtjes van deze soorten weten hoe hun eigen eieren eruit zien. Oude vrouwtjes die al enkele jaren leggen uiteraard beter dan jonge die hun persoonlijke handtekening op het ei voor de eerste keer zetten. Jonge vrouwtjes zijn daarom gemakkelijker te parasiteren dan oude, vond Davies uit.

Zien die zangertjes dan niet dat van hun zorgvuldig uitgebroed kroost alleen een grijs-gestreept gedrocht met een groot rood keelgat overblijft? Kennelijk niet en horen doen ze het al helemaal niet: Davies ontdekte dat die ene veelvraat geluid maakt voor vier. Waar 1 karekietkuiken piepgeluidjes met enige tussenpozen maakt, produceert het koekoeksjong een kakafonie van kortopeenvolgende piepjes: de illusie van een viertal jongen!

Het succes van het broedparasitisme berust op een subtiel evenwicht tussen instinct (voorgeprogrammeerd oudergedrag) en de alertheid van ouders in het moment. Meest frappant was voor mij een filmpje van een jong van een Japanse koekoeksoort die naast zijn gele opengesperde bek zijn vleugeltje omhooghield met een tekening erop die perfect leek op.... een gele opengesperde bek: kijk nou, we zijn met z’n tweeen! En dat dat vleugeltje dan nog voer krijgt ook!

Broedparasitisme is zeldzaam in de vogelwereld, slechts 1% van alle soorten heeft het ontwikkeld. Zelfs in de familie van de koekoeken is nog niet de helft parasitair (59 van de 141 soorten). Laat onverlet dat ‘onze’ koekoek Cuculus canorus, eeuwenlang succesvol was met zijn bedrieglijke praktijken. Was, want het aantal koekoeken neemt af. Rond de eeuwwisseling waren er nog 6-8 duizend broedparen (teveel eer dat broed ervoor), sinds die tijd is er een dalende lijn. Niet omdat al het kleine grut ineens door heeft dat ze besodemieterd worden maar omdat.....Tsja,  we weten het niet goed. Reden om 2017 uit te roepen tot het ‘Jaar van de koekoek’. Door meer onderzoek en aandacht van waarnemers hopen SOVON en Vogelbescherming de kennishiaten op te sporen. Doet u mee?