Hooibeestjes

Het is pas juli maar nu al kunnen we stellen dat 2017 een goed vlinderjaar is. Dat zal deels zeker te maken hebben met het heerlijke zomerweer dat we tot op heden hadden. Alleen al deze maand zag ik eenentwintig verschillende soorten dagvlinders hier op ons eiland van Altena. Veel soorten in grote aantallen vergeleken bij voorgaande jaren.

Absolute topper is het oranje zandoogje, in drie weken tijd voerde ik honderden exemplaren in op waarneming.nl. Dit is een soort die in sommige delen van ons land geheel ontbreekt maar bij ons in iedere berm te vinden is. Het lijkt erop dat hij goed gedijt in bermen waarin de eerste meters naast het wegdek vroeg in het jaar worden gemaaid en de rest van de bermvegetatie de zomer in gele glanshaver-pluimen blijft overstaan. Mijn ergernis dit voorjaar over het gazonbeheer van particulieren en sommige landbouwers waarbij bermen, vaak zelfs inclusief het sloottalud, worden gemillimeterd, maakt plaats voor opluchting. Gelukkig zijn er nog voldoende bermen over waar gefaseerd wordt gemaaid, zoals hiervoor beschreven.

Het is fantastisch dat de vlindersoorten die ik in de jaren tachtig van de vorige eeuw rond Genderen registreerde, er nog zijn. Allemaal behalve één: het hooibeestje. Die verdween in 1991 in grote delen van centraal Nederland, zo ook bij ons in het land van Heusden en Altena. Volgens de Vlinderstichting waren de rupsen van het hooibeestje door warmte in maart 1991 vroeg uit hun winterrust gekomen. Vervolgens werden ze massaal overvallen door vorstdagen in april. Hele populaties stierven uit. Zo ook bij ons. In augustus 1990 noteerde ik nog enkele exemplaren in de Kornsche Boezem. Het bleken voor jaren de laatsten. Het kleine oranje vlindertje dat op ieder gemaaid stukje gras voor je uit fladderde, was verdwenen. Onder mijn ogen uitgestorven. Het duurde jaren voor ik het doorhad. Hooibeestjes zijn kleine vlindertjes die je pas ziet als ze opvliegen. Zittend vallen ze perfect weg tegen de ondergrond. Het hooibeestje zit nl. altijd met de vleugels dichtgeklapt. Vliegend is hij bleek oranje, als hij zit is vaak alleen de grauwe onderkant van de achtervleugel zichtbaar. Op Google-afbeeldingen zijn geen fotos te vinden van hooibeestjes met de vleugels open. Die zie je alleen op fotos in gidsen, van opgeprikte exemplaren welteverstaan.

Afgelopen week langs een polderweg in Den Duyl waaide er een bleek oranje vlindertje langs. Het was geen oranje zandoogje, de soort waar ik naar op zoek was. Hij ‘viel’ in de grasberm en ik herkende hem direct: wauw, een Hooibeestje! Eindelijk na 27 jaar zag ik er weer één in onze streek!  En vandaag, hoe is het mogelijk, weer één. Het moet hier om zwervers gaan, die heel af en toe worden gezien in onze regio. Zeven tot nu toe sinds 2013. Volgens de Vlinderstichting vertonen mannetjes territorium gedrag, ze wijken niet verder van hun stek dan 90 meter. Dat zou betekenen dat er grote kans is dat ‘onze’ zwervers vrouwtjes zijn. Mochten die nog eitjes moeten afzetten en dat toevallig een keer doen in een geschikte berm, EVZ of akkerrand, dan zou er mogelijk een hervestiging kunnen plaatsvinden.    

Het grote dilemma in natuurbescherming is dat heel lang alles er gewoon is, zonder dat je daar speciaal moeite voor moet doen. Maar als soorten kritiek worden, dreigen te verdwijnen, en je wilt ze behouden of, nog moeilijker, herintroduceren na uitsterven, moet je hemel en aarde bewegen. Meestal heeft dat te maken met leefomstandigheden die niet optimaal (meer) zijn. Bovendien moet je bij herintroductie opletten dat je voldoende genetische variatie ‘uitzet’. Het is dus maar de vraag of tientallen eitjes van 1 hooibeestje voldoende variatie opleveren om een levensvatbare populatie te starten. Als bij toeval twee vrouwtjes op enkele honderden meters afstand van elkaar in ons gebied neerploffen en eitjes afzetten, wordt de kans al groter. Het is dus afwachten de komende jaren. Ondertussen kan ik alleen samen met Spinvis het hooibeestje toeroepen: kom terug!

Reis ver   drink wijn   denk na   lach hard   duik diep   kom terug © Spinvis 2011