Planten en schonen in november

Het is november en afgelopen week is de kou ingezet. Vorige week zaterdag was het natuurwerkdag en zat het weer nog erg mee. Met 55 enthousiaste vrijwilligers lukte het in één ochtend om ruim 1300 meter heg aan te planten voor het PARTRIDGE project. Alles in een heerlijk zonnetje.  

Het internationale project om boerenlandvogels, met als ambassadeursoort de Patrijs, meer kansen te bieden, tovert de 500 hectare grote polder tussen Almkerk en Sleeuwijk om in landschap dat dooradert is met bloemenranden, keverbanken en nu dus ook forse stukken heg. We werkten in 5 ploegen verspreid over het gebied. Het was erg gezellig. We zagen een sperwer en groepen groenlingen en putters en ik werd blij van de waarneming van een dagpauwoog en een klein (geaderd?) koolwitje. De waarnemingen van vlinders op 4 november baarden anderen in onze gelederen juist zorgen: wat zou er mis zijn met ons klimaat dat er nu nog vlinders vliegen? Dat klopt, zo had ik het nog niet gezien. Tegelijkertijd bederft het de pret van mijn waarneming. De ‘Wet van behoud van ellende’ staat hoog in het vaandel bij milieubeschermers. Het gaat niet goed of het gaat fout. Waaruit kent gij uw ellende? Zondag 2, Vraag 3 van de Heidelbergse Catechismus. Het lijkt soms wel alsof het donkere Calvinisme zich Freudiaans heeft gesublimeerd in milieu-activisme. Met als doel om alleen maar goed te doen of nog beter.

Het najaar is ook de tijd voor het schonen van sloten. Dinsdag werd het vlietje voor mijn huis mechanisch geschoond met een twee-en-een-halve meter brede, open maai-schepbak. Het riep het jongetje van vijf in mij wakker, ongelofelijk gefascineerd door vissen in de sloot en kranen. Ik berekende dat ik nog wel een kwartiertje had voor ik naar mijn werk moest en snelde naar buiten om het slootruimsel af te speuren. Ik liep naar de eerste de beste grote hoop slootruimsel en vond meteen een kleine zeelt, centimeter of tien. Typisch groenig visje, mooie afgeronde vinnen en prachtige kleine schubben. Hier in de streek noemen we het een Louw.

Ik loop een paar hopen terug op de werkroute en vind een joekel van een Louw die ver heen is. Hij ligt in een mooi afgerond kuiltje, een zelfgemaakt bedje van plantenmateriaal. Ik stel me voor dat hij al een kwartier ligt te spartelen, een soort springen zonder poten. Steeds terugvallend in dezelfde holte die daarmee alsmaar dieper wordt. Bij iedere spartel wordt het voor hem moeilijker om er uit te komen en zo tref ik hem aan in zijn sterfbed. Ik pak hem op en gooi hem in de sloot, gelukkig gaat ie niet rugzwemmen. Nog net gered dus. Ik loop terug naar de kraan en spreek de machinist. Deze open korfbak schept nauwelijks vissen op, zo stelt hij mij gerust. En toch ook weer niet. Iets in mij wil vissen zien. In een verse schep van een paar kuub plantenmateriaal en een beetje bagger ontdek ik een voorntje (rietvoorn?), wel 4 of 5 kleine modderkruipers die,  hun naam eer aandoende, als slangetjes uit de blauwe blubber opspringen, twee baarsjes en een grote spinnende watertor. Ik loop om de hoop heen en vind een forse (25 cm), langwerpige vis. Is het een kopvoorn, een roofblei of misschien toch een graskarper? ’s Avonds kom ik er niet meer uit als ik hem op herinnering probeer te determineren met m’n RAVON-vissengids. Volgende keer moet ik echt fotos nemen. De naam is voor eeuwig verloren, maar bijna alle genoemde dieren zijn gered. Soms valt de ellende mee. 

Jaap van Diggelen 11-11-17