De laatste argussen?

De werkelijkheid om ons heen is overweldigend. De natuur is een overtreffende trap van veel. Dat besefte ik opnieuw toen ik op zoek was naar de argusvlinder rond het dorp Genderen. In een gebied waar ik van kinds af aan kom en dat ik nog steeds jaarlijks enkele malen doorkruis om te kijken wat er zit. Het voelde wat vreemd deze zondagochtend, de kerkgang verzuimen om buiten mee te doen aan het landelijk telweekend voor de argusvlinder. Ik vond dat er ‘Hogere zaken’ en ‘hogere zaken’ zijn, en ik besloot dat de teloorgang van de argusvlinder toch wel een ‘hogere zaak’ met een hoofdletter is. 

De Vlinderstichting luidt al enkele jaren de noodklok voor deze soort. En uit de door een paar trouwe fanatiekelingen verzamelde gegevens in ons Land van Heusden en Altena blijkt ook dat we deze prachtige zandoog in rap tempo kwijt raken. In het Hemelvaartweekend had ik tot op deze zondag 8 kilometerhokken doorzocht en slechts 1 maal een argus gezien. Ik was dan ook erg blij toen ik rond negenen een Argusvlinder ontdekte. Een mannetje dat zich zat op te warmen, opvallend op het gele strooisel van slootvegetatie. Gelukkig, hier zit hij nog!

Ik loop verder en ga een stukje het beboste deel van het terrein in. Ik meen wulpen te horen, maar ben verward door een ander geluid. Ik sta bij een boom met een serie spechtengaten en uit één daarvan komt het geluid van bedelende jongen. Lijkt ook wel wat op die wulpen, wat hoor ik nou werkelijk? Ik ga wat op afstand van de boom staan, om te kijken welke vogel de jongen gaat voeren. Het kan in plaats van een specht net zo goed een spreeuw zijn.

Terwijl ik zo terugkeer op mijn schreden, ben ik nu zeker dat ik wulpen hoor. Ik kijk in de richting van de dijk langs de Bergsche Maas en zie twee wulpen boven het hoge gras vliegen. Dus toch! Wulpen doen het goed in de uiterwaarden langs de Maas. Heel lang stond deze prachtige jodelaar bekend als soort van de duinen, ‘de wachter van het duin’ en ook op de Brabantse heidevelden komt hij voor. Inmiddels is het een welkome aanwinst op het steeds schraler wordend palet van weidevogels in ons rivierengebied. Het geeft te denken wat zo’n zandhaas bij ons in de kleiige uiterwaarden te zoeken heeft. Zou het hier inmiddels zo droog zijn als in de duinen? 

Na vergeefs wachten, blik op het spechtengat, besluit ik verder te gaan. Ik loop langs het met waterplanten dichtgegroeide restant van wat we vroeger het kanaaltje noemden. Tussen de egelskopbladeren door patrouilleert een prachtig glimmende libel. Ik probeer hem te vangen in het blikveld van mijn kijkertje, maar hij is helaas te snel en gaat nooit zitten. Na lang kijken, wikken en wegen besluit ik dat het een smaragdlibel is. Schitterend, nooit eerder gezien hier. Op school leer ik de kinderen dat we zonder abstractie niets over de werkelijkheid kunnen zeggen. De volheid van wat we zien kunnen we nooit vatten, laat staan er iets van begrijpen.

Dus je zoomt in op onderdelen. De focus op de libel is nodig om hem een naam te geven. Maar in die focus lost hij op: met ongewapend oog zie ik hem flitsen boven het water, in het verkleinde blikveld van mijn kijker verdwijnt hij steeds weer. In natuurbeheer doen we iets soortgelijks: we beoordelen de rijkdom van de natuur door in te zoomen op één soort, in de veronderstelling dat sommige soorten meer daarover zeggen dan anderen. Het gevaar is dat we daarmee het zicht op het geheel kwijtraken.      

Ik keer om, loop terug langs het pad en nog even langs de spechten-boom. Van afstand stel ik mijn kijker scherp op het gat waaruit ik de jongen hoorde piepen. Plotseling wipt links vanaf een zijtak een grote bonte specht het gat in, die ik, voor hij in beweging kwam, niet had gezien. Onvoorstelbaar, hij zat in mijn blikveld en ik zag hem niet! De focus (spechtengat) bepaalt je waarneming en in de abstractie mis je het geheel (specht), zelfs al heb je zoveel ogen als de argusvlinder.